Ik ben oprecht opgetogen wanneer ik de eerste sneeuwvlokken zie: het blijft een wonder dat geen enkele hetzelfde is. De stilte, het licht en het bijna tastbare wit: het ontroert mij telkens opnieuw. En toch ervaar ik op Aruba en Curaçao een lichamelijke sensatie die met de jaren alleen maar intenser wordt. Zodra de schuifdeuren van Hato International Airport opengaan en de warme passaatwind mijn huid raakt, reageert mijn lijf eerder dan mijn gedachten. Het is alsof iets ouds wordt wakker gekust. Hier woont een vertrouwdheid die dieper gaat dan taal en iets wat mijn binnenste beroert en wat ik altijd met mij meedraag.
Bij aankomst valt mijn blik telkens weer op de rotsformaties rond Grotten van Hato. Deze grotten waren ooit een schuilplaats van Tula en zijn medestanders, die in 1795 opstonden tegen het slavernijsysteem. Ook eerder, in 1750, kwamen net uit Ghana aangekomen tot slaaf gemaakte mensen in verzet. Uit historische verslagen blijkt dat zij mogelijk een eigen gemeenschap van “vrijlieden” wilden stichten; een radicale daad van zelfbeschikking in een systeem dat hun menselijkheid ontkende.
Het zou de Curaçaose geschiedenis eer aandoen als Hato de expliciete historische erkenning krijgt. Een informatiebord is een moreel gebaar. Het maakt zichtbaar wat te lang onzichtbaar is gehouden. Want wie aankomt op Hato arriveert niet alleen op een eiland van zon en zee, maar op grond doordrenkt van verzet, moed en verlangen naar vrijheid.
Mijn voorouders zijn op de eilanden geboren en getogen en ik in Nederland geboren. Misschien is dat wat mijn lichaam herkent nog vóór mijn gedachten het kunnen formuleren: een geschiedenis, een weten die door mij heen beweegt.